
Doorsnede van een “ gemoderniseerde”
horizontale windmolen in Seistan.
#2

Koppel horizontale windmolens in
Afghanistan.
#3
Westerse vermeldingen
Dat de staanderdmolen niet afkomstig is uit
het Oosten wordt aangetoond door Ambroise, kroniekschrijver
en minnezanger, in zijn “Estoire de la Guerre Sainte”, het beleg
van Akko in 1189, door Filips August , Richard Leeuwenhart, Frederik
Barbarossa, door Filips Van Den Elzas, Graaf van Vlaanderen.
Om het hoofd te bieden aan de voedselbevoorradingproblemen,
bouwden de Kruisvaarders ter plaatse een windmolen, de eerste
in Syrië……..
Ambroise verhaalt de vrees van de Arabieren
voor deze nieuwe nooit geziene machine
#4:
Deze Kruisvaarders
zijn Westerlingen.
Dat deze machine “ la gent qui Dieu maudit “
grote angst inboezemde is voor ons van zeer groot belang.
Uit: “étrangement le regardèrent”,
blijkt dat in de andere streken van het Oosten molens draaiden.
Oosterse molens met onwrikbare muren, onophoudelijk
door krachtige wind aangedreven, waarin de rotoren van hun windwielen
snel ronddraaiden en de richtbare Westerse molens met grote draaiende
wieken hebben, het weze gezegd, niet veel gemeen.
Ambrosius, een geboren Normandiër, specifieerde
ondubbelzinnig 'Li Aleman'. Maar waar haalden die Duitsers de
ervaring om daar een windmolen te bouwen?
Waar haalden die
Duitsers (Li Aleman) de ervaring om daar een windmolen te bouwen?
De oudst gekende windmolenvermelding in Duitsland
dateert van 1222 te Keulen.
#5
Het beleg van Akko vindt plaats in de jaren
1189-1191. Dus 33 jaar voor de oudste windmolenvermelding in
Duitsland.
Waar haalt oorlogscorrespondent Ambroise dan
die “Aleman”.
Het kruisvaardersleger bestond uit Duitsers,
Fransen, Engelsen én … Vlamingen.
De Normandische Ambroise schreef zijn kroniek
in het Frans. Hij maakte deel uit van het Engelse contingent
van Richard Lionhart, wiens hof Franssprekend was.
De niet Duitssprekende Normandiër hoorde
een Germaans klinkende taal en besloot daaruit dat de molenbouwers
Duitsers waren.
·Een belangrijk contingent werd geleverd
door het Graafschap Vlaanderen en stond onder leiding van de Vlaamse
Graaf Filips van de Elzas.
·Het Oud-Nederlands van deze Vlamingen
en het plat Duits verschilden toen niet erg van mekaar.
Het ligt voor de hand dat Ambroise het Oud-Nederlands
der Vlamingen en het Platduits der Duitsers niet onderscheidde
en dientengevolge Vlamingen voor Duitsers hield.
Kenden Vlamingen
de windmolen dan wel ?
We beschikken over oorkonden die erop wijzen
dat een ander soort molen dan de watermolen in Vlaanderen bekend
was in 1067, en een tekst van Graaf Filips van de Elzas van 1183
waar de windmolen van Wormhoudt (huidig Frans-Vlaanderen) vermeld
wordt. We kennen traditionele molenvermeldingen (jaartallen gebeiteld
op oude balken in windmolens) die wijzen op het bestaan van die windmolen
in Vlaanderen sinds de elfde eeuw.
#6
De Franse historicus Fernand Braudel toont het
bestaan aan van een economie-wereld in Noordwest-Europa die zich
vormt vanaf de elfde eeuw. Het Graafschap Vlaanderen was hiervan
het industriëlecentrum.
#7
Voorwaarden voor een economie-wereld zijn: technische
revolutie en industriële revolutie. Een industriële
revolutie is een ingewikkeld fenomeen aan hetwelk vele aspecten
zijn. Eén dezer aspecten is: handenarbeid vervangen door
machine-arbeid.
Braudel stelt dat deze industriële revolutie
startte in het industriële centrum van de economie-wereld:
het Graafschap Vlaanderen.
Eén aspect van een industriële revolutie
is : handenarbeid vervangen door machine-arbeid. D.w.z: beschikken
over een energie-omvormer die machines aandrijft.
Deze energie-omvormer kan geen watermolen zijn
geweest, gezien het Graafschap Vlaanderen historisch weinig watermolens
heeft gekend.
Was de windmolen
dan niet de omvormer die wind omzette in bruikbare energie om
allerlei machines aan te drijven?
De samenhang van: juridische teksten (diplomata
van Graaf Boudewijn V (1035-1067). Filips van de Elzas ( 1168-1191),
traditionele molenvermeldingen en het zich verwezenlijken van
een industriële revolutie in het industriële centrum
van een economie-wereld (Graafschap Vlaanderen) laat toe te besluiten
dat een nieuwsoortige (wind)energie-omvormer in het oude Graafschap
Vlaanderen bestond: de windmolen.
Hoe kwam deze
Vlaamse windmolen in Akko (Midden-Oosten)?
De Vlaamse troepen stonden onder leiding van
Graaf Filips van de Elzas.
Deze staat bekend als een groot bestuurder en
als tacticus één der begaafdsten uit zijn tijd.
#8
Diens vader, Diederik van de Elzas, had vier
reizen naar het Heilige Land ondernomen, en deelgenomen aan de
Tweede Kruistocht.
Graaf Filips zelf had in 1177-1178 militaire
operaties geleid in het Midden-Oosten. Hij wist dus door wat zijn
vader hem had meegedeeld en uit eigen ervaring, welke problemen
troepenbewegingen inhielden.
Als goed bestuurder en tacticus kende hij het
groot belang niet enkel van de bewapening maar evenzeer deze
van de bevoorrading.De moeilijkheden in de bevoorrading waren één
der voornaamste hinderpalen voor een echte strategie.
#9 In 1191 beschikte Filips van de Elzas te Akko over
aanzienlijke voedselvoorraden, waarmee hij zeer royaal de andere kruisvaarders
te Akko, in hun bittere nood hielp. Dus logistiek ondersteunde.
#10
We weten eveneens dat vanuit Vlaanderen uiterst
vernuftig oorlogstuig werd meegebracht, o.m twee blijden (werpgeschut,
Ballista), van uitstekende kwaliteit.
#11
? ?
Waarom oorlogstuig meebrengen vanuit Vlaanderen?
Ter plaatse ontbrak constructiehout volledig.
#12 De als één der bekwaamste tactici
bekendstaande legeraanvoerder en goed bestuurder, had deze moeilijkheid
voorzien en opgelost; belegeringsmaterieel meebrengen. Militaire
voorzorgsmaatregel. De Graaf beschikte eveneens over aanzienlijke
voedselvoorraden, o.m. graan.
Is het onredelijk te besluiten dat de Graaf,
om logistieke redenen, eveneens uit Vlaanderen de nodige middelen
meebracht om deze voedselvoorraden op de meest nuttige wijze ter
beschikking te stellen? D.w.z.: een maaluitrusting voor het dagelijks
brood.
Wanneer Ambroise dus vermeldt dat voor de vestingsmuren
van Akko door kruisvaarders een windmolen werd gebouwd, dan
is met grote waarschijnlijkheid de verklaring hiervoor: de uit
Vlaanderen meegebrachte molenonderdelen werden daar samengesteld
door Vlamingen.De in Vlaanderen reeds bekende windmolen werd
ter beschikking gesteld van de kruisvaarders, zoals dit het geval
was met uitstekend oorlogstuig. De ervaren bestuurde en tacticus
Filips van de Elzas had militaire en logistieke voorzieningen op
het krijgstoneel: voedselvoorraden, windmolen, zeer omvangrijk
belegeringspark, katapulten en stormrammen.
#13
Mede hierdoor werd Akko in 1191 ingenomen.
BESLUITEN
1. De vermelding van Akko (1190), kort na de
eerste Europese windmolenvermeldingen: bevestiging van het feit
dat de kruisvaarders de windmolens in het Nabije Oosten brachten
(dus tegengesteld aan de traditionele opvatting).
2. Gezien de vroege molenvermeldingen in Vlaanderen
en de aanwezigheid van Vlaamse troepen onder leiding van Graaf
Filips van de Elzas en de latere vermelding van molens in Duitsland,
is het hoogst aannemelijk dat de molen van Akko gebouwd werd niet
door Duitsers maar wel door Vlamingen.
#14
#15
B.
LEGENDE II : Frankrijk (Normandië)
Waar kan men aan de hand van deze elementen de oorsprong
van de windmolen situeren?
1. Indien wij ons beperken tot
Noordwest-Europa kan men de eerste oprichtingen van windmolens
waarnemen in de driehoek : Zuidoost Engeland, Normandië en
het oude Graafschap Vlaanderen.
In Normandië dateert de oudste geregistreerde
molen van 1180, in Engeland van 1181.
Dit is absoluut juist. Het “
Domesday Book” inventariseerde
in 1086, 5.624 watermolens en geen enkele windmolen. Daar de
molens beschouwd werden als een belangrijke bron van inkomsten,
is het duidelijk dat, hadden er toentertijd windmolens bestaan in
Engeland, zij zouden zijn opgenomen in het “Domesday Book”, quod
non.
Moet men daaruit afleiden dat de bakermat van de
windmolen in Normandië te vinden is?
Er bestaat een ganse literatuur over die bakermat
van de richtbare windmolen.
Een der meest volledige en dan ook vaak geciteerde
studies over het probleem is deze van Anne-Marie Bautier, “Les
plus anciennes mentions de moulins hydrauliques industriels et de
moulins à vent”.
#16
In deze studie wordt de eerste windmolen opgetekend
op een domein der abdij van Saint-Sauveur-Le-Vicomte, te Saint-Martin-De-Varreville
in Normandië, en dit in 1180.
#17
De eerste windmolen in Engeland, wordt vermeld in
een document van 1181 betreffende een schenking aan de abdij van
Saint-Mary of Shineshead, in Lincolnshire.
#18
J.P.A. Stroop haalt in “Molenaarstermen en Molengeschiedenis”
#19 de studie van A.M. Bautier aan.
O.i. is de heer Stroop niet helemaal overtuigd door
de opbouw van Bautier’s argumentatie, en hij opent een andere
benaderingswijze.
#20
C.
DATERING UITGAAND VAN EEN JURIDISCHE BENADERING
De watermolen was de Romeinen bekend.
Het Romeins recht regelde de eigendom en het gebruik
der waterlopen.
Op bevel van Keizer Justiniamus (527-565) werd wat
later het Corpus Iuris Civilis werd genoemd, uitgevaardigd.
Het deel Institutiones was een handig te gebruiken
werkdocument, in feite een gids om wegwijs te geraken in het reusachtige
Romeinse rechtsregels arsenaal.
Zo bepalen de Institutiones (II, 1,1 en 2) dat de
heel het jaar stromende waterlopen res publicae zijn, staatseigendommen.
Na de val van het West-Romeinse Rijk (476) werd,
en wat het statuut der waterlopen betreft, de regels in verband
hiermee, door de Germaanse invallers overgenomen.
Het Romeins recht geïntegreerd zijnde in de
verschillende Germaanse Koninkrijken, bleef aldus het gebruik
der waterlopen regelen.
Zo bv. In het edict van Rotharius, Koning der Longobarden
(643):
#149: Si quis molinum alterius asto incenderit, id est volontaire,
in treblum eum restituat sub stimationem rei cum omnia, quae intus
cremata sumt.
#150: Si qui molinum alterius capellaverit aut sclusa
ruperit sine auctoriate iudicis, componat solidos duodecim illi,
cuius molinus esse invenitur. Et si iudicem interpellaverit, et
iudex dilataverit ipsa causa deliberare, aut licentiam dederiit
averse parti ipsum molinum evertendi, componat solidos XX in palatio
regis disctrictus ab stolesazo.
De Romeinen zijn de grote juristen van de Oudheid
geweest. Zij zijn de eerste codificeerders. De stichters van de
rechtswetenschap.
#21
Een groot jurist en waarachtig beoefenaar van rechtswetenschap
streeft rechtszekerheid na, d.w.z. stelt duidelijke teksten op
waarin elke mogelijke onduidelijkheid die tot dubbelzinnigheid
of interpretatiemoeilijkheden voert, vermeden en uitgesloten is.
Een onontbeerlijke voorwaarde voor de noodzakelijke
klaarheid is het strikt eerbiedigen der regels der semantiek:
ieder gebruikt woord heeft zijn eigen specifieke betekenis, zijn
onvervreemdbare begripsinhoud.
Grote juristen houden zich aan deze regel.
Hieruit volgt dat in een goede juridische tekst
(en de Romeinen konden die nog concipiëren) elk woord zijn
eigen draagwijdte heeft.
Wanneer dan in Romeinse rechtsteksten en in uit
het Romeins recht stammende rechtsregels het woord molinum, mola,
molendinum, voorkomt, dan wist men precies waarover deze rechtstekst
handelt: over een watermolen. In de Romeinse tijd en de Merovingische
en de Karolingische bestond immers enkel de watermolen. Molinum,
mola, molendinum is dus zonder enige mogelijke twijfel een watermolen.
D.
JURIDISCHE BASIS VOOR EEN DATERING IN DE ELFDE
EEUW
De Graven van Vlaanderen wierpen zich op als beschermers
der tijdelijke kerkelijke goederen. Teneinde de doelmatigheid dezer
“bescherming” te verhogen worden er nauwkeurige inventarissen opgesteld.
Wanneer men dan in de tekst met juridische draagwijdte,
in 1067, een molendinum aquaticum beschreven aantreft, dient
men uit deze gebruikte terminologie de nodige besluiten te trekken.
Vroegmiddeleeuwse, op Romeins recht, gebaseerde
wetteksten over molens vermelden:
· Molendinum
· Mola
· Molinum
- Het diploma van 1067 van Graaf Boudewijn V van
Vlaanderen (1035-1067) betreffend de goederen van de abdij van
Sint-Winoksbergen (in huidig Frans-Vlaanderen) vermeldt een “molendinum
Aquaticum” te Wormhoudt in het huidig Frans-Vlaanderen.
- Wanneer in teksten van voor het jaar 1000 enkel
sprake was van “Molendinum” duidt het woordgebruik “MOLENDINUM
AQUATICUM” op een intussen zich opdringend onderscheid met een
ander soort molen: “ MOLENDINUM QUOD VENTO MOVETUR” of windmolen.
Dit woordgebruik in deze oorkonde wijst op het bestaan
van de windmolen in Vlaanderen, en bevestigt aldus de traditionele
vermeldingen.
- Oorkonde van Graaf Filips van de Elzas(1168-1191).
Van 1183 ook over de goederen van de abdij van Sint-Winoksbergen
gelegen te Wormhoudt.
“Molendinum aquaticum et molendinum quod vento movetu”.
- Door de oorkonden van 1067 en 1183 kan besloten
worden tot het ten tonele verschijnen van de windmolen in Vlaanderen
in die periode.
In deze akte is tweemaal sprake van een “molendinum
aquaticum” in twee verschillende paragrafen, en éénmaal
van een “molendinum quod vento movetur”. De verduidelijking water/wind
zou erop wijzen dat de behoefte was ontstaan tot differentiëring
van de molens al naar gelang de gebruikte energie, omdat voordien,
toen de windmolen nog niet bestond, enkel van “molendinum” sprake was
en het uitsluitend over een watermolen ging.
#22
“Zouden de oeroude jaartallen in zoveel Vlaamse
staanderdmolens dat toch de historische waarheid zijn?”
E. DE TRADITIONELE VLAAMSE MOLEN VERMELDINGEN
Door traditionele vermeldingen worden aangeduid
jaartallen die in Vlaamse staandermolens worden (werden) aangetroffen
op balken of planken.
Op de kaart van het oude Graafschap Vlaanderen
zijn een aantal van deze traditionele vermeldingen aangeduid.
In Frans-Vlaanderen (rond 1650 door Lodewijk XIV
bij Frankrijk aangehecht):
- Kloostermeulen te Rexpoede: 1001 [sic. bedoeld wordt Rekspoede
(Frans: Rexpoëde)]
- Hoflandmeulen te Houterke: 1114
- Hondschootse molen te Hondschoote: 1127
In het huidige Vlaanderen:
- Opzullik : 1040
- Petergem: 1092
- Etikhove : 1140
- Zingem: 1154
- Zomergen: 1154
Jaartallen van ver vóór 1180.
G. ECONONIE-WERELD EN TECHNISCHE VERNIEUWING
Industriële revolutie + technische vernieuwingen
zijn noodzakelijke + voldoende voorwaarden voor een Economie-Wereld.
Deze noodzakelijke en voldoende voorwaarden zijn vervuld vooraleer
de Economie-Wereld als dusdanig herkenbaar is.
Deze gevolgtrekking ligt besloten in de begripsinhoud
van de term “voorwaarde”. Inderdaad, voorwaarde is: datgene van
welks vervulling afhangt of iets mogelijk is of plaats kan hebben,
of die de wijze daarvan bepaalt: als de genoemde omstandigheden aanwezig
zijn.
#23
In de elfde eeuw was Vlaanderen de “industriële”
pool van de eerste Europese Economie-Wereld, wat toelaat te besluiten
dat industriële revolutie en technische vernieuwingen reeds
doorgang vonden.
Wanneer bestaande energiesystemen onvoldoende of
ondoelmatig worden en de “vraag”, niet langer kunnen beantwoorden,
dienen er nieuwe energiesystemen ontwikkeld te worden of er ontstaat
niet alleen een energiecrisis, maar een crisis zonder meer.
Wanneer watermolens onvoldoende energie leveren
voor de nieuwe ontstane behoeften, leidt dit tot de ontwikkeling
van de windmolen die de voedselvoorziening zal overnemen van de
watermolen die vooral voor industriële doeleinden wordt ingezet.
Het Vlaamse landschap en hydrografie niet zo geschikt
zijnde voor het gebruikt van de watermolen zal dit energietekort
des te sneller aan de oppervlakte brengen.
Door technische vernieuwingen wordt het Vlaanderen
van de Economie-Wereld niet geremd in zijn economische opgang door
het energietekort.
Welke technische vernieuwing? Het gediversifieerde
gebruik van molentechnologie en techniek, zowel in de stad als
op het platteland.
Gezien de werkelijkheid van de Economie-Wereld,
bestaan er technische vernieuwingen: de richtbare windmolen is
er de meest spectaculaire van.
BESLUIT: DE MOLEN IS EEN ENERGIEOMVORMER
Water en wind zijn energiebronnen die kunnen beheerst
worden en omgezet in drijfkracht door een omvormingssysteem: de
molen.
Het omvormingssysteem voor water was gekend van
in de Oudheid, waar het zich ontwikkelde van een horizontale tot
een verticale molen.
De techniek om windenergie om te zetten in drijfkracht
door een richtbare windmolen stamt niet uit het Oosten, maat uit
Noordwest Europa.
Ze werd ontwikkeld in een gebied waar mensen vertrouwd
waren én met een grondige kennis van het gebruik van het
zeil én met de werking van de watermolen.
Deze kwalificaties waren samen aanwezig in de kern
van het oude Graafschap Vlaanderen, Zee-Vlaanderen. Op grond van
historische, culturele, juridische, technische en economische argumenten
is het o.i. gewettigd de oorsprong van de richtbare windmolen te
plaatsen in het Vlaanderen der elfde eeuw. Wat ons meteen toelaat in
de richtbare windmolen een symbool te zien van de verbeeldingskracht,
de vindingrijkheid, de werkelijkheidszin, de pioniersgeest van de mens
in het Vlaanderen der elfde eeuw.
NOG NIET OVERTUIGD VAN DE VLAAMSE OORSPRONG VAN
DE WINDMOLEN IN DE ELF DE EEUW?
DAN DIT.
In de zomer van 2008 werd gedurende een archeologische
begeleiding van de aanleg van een wegtraject op de site van Flanders
Expo te Sint-Denijs-Westrem een bijzondere structuur aangetroffen.
Het betrof een circulaire gracht met centraal een kruisvormig spoor
dat waarschijnlijk te interpreteren in als fundering van een middeleeuwse
staanderdmolen. Deze uitzonderlijke archeologische vondst lijkt
vrij belangrijk in zijn soort.
Overzichtsplan van het archeologisch onderzoek
op Flanders Expo van de verschillende zones met aanduiding van de
volmiddeleeuwse sporen.
1: de circulaire gracht met centraal kruisvormig
spoor
2: veronderstelde aflijning van de nederzetting
Volmiddeleeuwse nederzetting
Op 150m afstand van de mogelijke staanderdmolen
bevindt zich een volmiddeleeuwse nederzetting.
Op basis van het schaarse aardewerk kan een datering
van de late 9de tot vroege 11de eeuw vooropgesteld worden, met
een voorkeur voor de 10de eeuw.
Op ongeveer 65m van het hoofdgebouw bevindt zich
een eerste waterput die door de aanleg van een werkput deels verstoord
was. Toch kon de oorspronkelijke houten beschoeiing nog voor een
90cm goed onderzocht worden. De bekisting is vierkant met een zijde
van 80cm en bestaat uit horizontale planken die tegen vier aangepunte
hoekbalken zijn geplaatst. Wat de vondsten betreft is dit één
van de rijkste contexten met ondermeer aardewerk uit de 10de tot vroege
11de eeuw en een glis ( een soort schaats) gemaakt uit een kanonbeen
van een paard.
Een gelijktijdige waterput bevindt zicht op 30m
van het hoofdgebouw. Op basis van een aantal scherven kan de opgave
van deze put ook in de 10de tot vroege 11de geplaatst worden. Een
dendrochronologische datering bevestigt met een kapdatum van het
hout ( en dus vermoede aanleg) tussen 991-1016.
De best bewaarde waterput ligt op ongeveer 35m van
het hoofdgebouw. Op basis van het aardewerk is deze put iets jonger
met een datering van late 11de tot 12de eeuw.
Bij opgravingen in 1980 werden bovendien diverse
paalsporen en kuilen aangetroffen, waaruit een éénschepig
gebouw van 16m bij 6m werd gedistilleerd. Vlak ernaast situeert zich
een vierkante houten waterput. Op basis van het aardewerk werd dit
deel van de nederzetting tussen 10de en 13de eeuw gedateerd.
Samenvattend kan gesteld worden dat er duidelijk
een nederzetting aanwezig was tussen de 10de en zeker 12deeeuw,
mogelijk ook nog in de 13deeeuw, die zich minstens uitstrekt over
1ha. Er werden twee hoofdgebouwen en vier waterputten aangetroffen,
maar vermoedelijk zijn er nog veel meer resten ongedocumenteerd vernietigd.
Deze nederzetting kan waarschijnlijk gezien worden als een conglomeraat
van een beperkt aantal erven(bestaand uit een hoofdgebouw en waterput)
die diachroon elkaar opvolgen op ongeveer dezelfde plaats.
Circulaire gracht met kruisvormig spoor
Op ongeveer 100 tot 150m ten oosten van de kern
van deze volmiddeleeuwse nederzetting bevindt zich de opmerkelijke
structuur. Die structuur bestaat uit een circulaire, twee maal
onderbroken gracht en centraal in die cirkel een kruisvormig spoor.
Deze brede circulaire gracht werd opgegeven in de 13de eeuw.
Plan van de circulaire gracht met centraal kruisvormig
spoor.
Voet van een middeleeuwse staakmolen
In Sint-Denijs-Westrem bij Gent werd in de zomer
van 2008 de fundering van een middeleeuwse staakmolen gevonden:
een zeer belangwekkende archeologische vondst!

Veldopname vanuit de kraanbak.
Centraal binnen deze cirkel bevindt zich een kruisvormig
spoor. De benen schikken zich volgens de NO-ZW en NW-ZO- assen
en meten elk circa 10m lang, terwijl ze gemiddeld 1,5m breed zijn.
Wellicht is er sprake van een gedeeltelijke gelijktijdigheid
met de volmiddeleeuwse nederzetting.
Het kruisvormig spoor doet erg denken aan de kruisplaten
van een houten staanderd of staakmolen. De oudste types windmolen
werden nog niet op “teerlingen” gefundeerd, maar licht ingegraven
( Bauters1998:133). Bovendien is een erg sterk bijkomend argument de
landsschappelijke inplanting. De moegelijke windmolen situeert zich
net op het hoogste punt ( op 13m taw) van een opduiking die het omliggende
landschap duidelijk domineert. Ook de nabijheid van een waarschijnlijk
deels gelijktijdige nederzetting, wat een goede bereikbaarheid impliceert,
lijk een bijkomend argument.
Het kruisvormig spoor zou dus goed het onderste
van een funderingssleuf voor de kruisplaten kunnen zijn.
Vergelijking
Archeologische vergelijkingssites in Vlaanderen
zijn eerder schaars. Toch vertoont één site bijzonder
veel overeenkomsten. De op basis van vorm, opbouw en verhoudingen
zeer vergelijkbare archeologisch vastgestelde structuur is deze
van De Panne – Oosthoekduinen. Een ongeveer 4m brede,circulaire gracht
met een diameter van 22m omvat een centraal gelegen kruisvormig spoor
met benen van 7m die eveneens naar de kardinale windrichtingspunten
zijn gericht. Deze structuur werd onafhankelijk van die van Sint-Denijs-Westrem
als windmolen geïnterpreteerd en kon in de 12de tot 13de eeuw
geplaatst worden.
#24
Dit kruisvormig spoor vertoont uitstulpingen wat
wijst op vier teerlingen.
Randbeschouwingen bij de archeologische vondst te
Sint-Denijs-Westrem
1. Het betreft een staanderdwindmolen kruisplaat
die rechtstreeks op de bodem rustte.
2. De molen ligt in de onmiddellijke nabijheid van
een volmiddeleeuwse nederzetting.
3. De nederzetting bestond uit meerdere gebouwen
in wier nabijheid vier waterputten werden gevonden.
4. Gelijktijdigheid van nederzetting en molen
5. In de waterputten worden scherven gevonden van
aardewerk
Gedateerd van tiende-, vroege elfde, late elfde
– vroege twaalfde eeuw.
6. Van de tiende tot de twaalfde eeuw bestond hier
dus een nederzetting met molen.
7. Een zelfde structuur circulaire gracht-kruisplaat
werd gevonden te De Panne – Oosthoekduinen. Deze zou dateren van
de twaalfde-dertiende eeuw. De teerling uitstulpingen verklaren
de latere datering.
#25
8. Tot nu toe werd van deze molens geen geschreven
vermelding gevonden.
Algemeen besluit uit wat voorafgaat wat Vlaanderen
betreft
1. Traditionele molenvermeldingen vastgesteld vanaf
elfde eeuw.
2. Archeologische vondsten te dateren vanaf elfde
eeuw.
3. Eerste geschreven aanduiding elfde eeuw (1067)
4. Kruisvaarders en molen in Oosten : twaalfde eeuw
5. Eerste geschreven vermelding bestaand windmolen
in Vlaanderen : 1183
6. Vlaanderen centrum economie-wereld : elfde eeuw
7. Industriële Revolutie in Vlaanderen : elfde
eeuw
8. Windmolen : energieomvormer : technische revolutie
De richtbare windmolen ontstond in Vlaanderen in
de elfde eeuw.
NOTEN
1# C. Rivals, Le moulin
à vent et le meunier dans la société française
traditionelle, Serc, Ivry, 1979, blz. 46
2# H.E. Wulf, C. Rivals,
o.c., blz. 48
3# C. Rivals, o.c.,
blz. 47
4# Uit : Estoire
de la geurre sainte door Ambrosius, in Engeland gemaakte kopie
(eind 13de eeuw) naar het origineel (eind 12de eeuw),fragment op
fol. 24c; Bibliotheek van het Vaticaan, Codex Chrstinae reginae, nr.
1659. Wetenschappelijk uitgegeven door Gaston Paris : L’estoire de
la guerre sainte. Histoire en vers de la troisième croisade (1190-1192)
par Ambroise, Paris, Impremerie Nationale, 1897 (Collection de document
inédits sur l’histoire de France), fragment op p. 87
5# Notebaert, J.C., Windmühle, Mouton
Verslag, Den Haag – Paris, 1972, blz. 62
6 # van den Bossche,
K, De Molen als symbool, Centrum voor Molinologie, Sint-Amands,
1999, blz. 484
7 # Braudel, Le temps
du monde, Armand Collin, Paris, 1979, blz. 74-77, e.v. 472
8 # Verbruggen, J.F.,
De krijgskunst in West-Europa in de middeleeuwen, K.A.W.L.S.K. –
Brussel, 1954, blz. 524
9 # Idem, o.c., blz.
523
10 # Ibidem, o.c., blz.
522
11 # Van Werveke, H.,
La contribution de la Flandre et du Hainaut à la Troisième
Croisade, Le Moyen Age, L’Impremerie des sciences, Brussel, n°
1, 1972, blz. 73
12 # Van Werveke, o.c.,
blz. 72
13 # Van Werveke, H.,
Een Vlaamse Graaf van Europees formaat, Filips van de Elzas, Fibula-Van
Dieshoeck – Haarlem, 1976, blz. 49,61
14 # van den Bossche,
o.c., blz. 485
15 # Bauters, P., Kracht
van wind en water, Davidsfonds, Leuven, 1989, blz. 32, 33, 36
16 # Bulletin philologique
et historique, 1960, vol II, Paris, imprimerie Nationale, 1961
17 # o.c., blz. 610
18 # o.c., blz. 610
19 # Rodapi, Amsterdam,
1977
20 # o.c., blz. 6
21 # J. Gilissen, “Historische
inleiding tot het recht”, Kluwer, Antwerpen, 1981, blz. 93
22 # K.V.N.S., Antwerpen,
1978, blz. 20
23 # Van Dale, “Groot
woordenboek der Nederlandse taal”, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen,
veertiende herziene druk, 2005, blz. 4012
24 # Hoorne, Johan,
Molenecho’s, 1/09, blz. 21-26
25 # De Wilde, M, Wyffels,
F., Archeologica Mediaevalis, 26, 2003, blz. 37