Het wordt tijd dat we claimen wat van ons is, en dat doet Karel van den Bossche met verve in onderstaand artikel dat hij opbouwde in de loop der jaren.
Wij hoorden het voor het eerst in zijn volledigheid op 11 december 2009.
Karel van den Bossche legt hiermee een wetenschappelijk onderbouwd bewijs neer : "De windmolen is een Vlaamse uitvinding die dateert van vooraan de 11de eeuw."


Waarmee hij wellicht bedoelde ; 'de RICHTBARE windmolen'.
Kris Goris                                                                                                                         
                                  
[Bekijk hier] een filmuittreksel dd. 11 december 2009 ( uittreksel van onderstaand exposé - geregistreed door Kris Goris )

DE HISTORISCHE OORSPRONG VAN DE STAANDERD MOLEN

Molinologen uit binnen- en buitenland hebben hieromtrent al heel wat boekenrekken gevuld en ze doen het nog steeds.
Waarom toch ?
Buitenlanders uit zuiver nationalistische redenen en ook omdat ze niet steeds bronnen die zich buiten hun taalgebied bevinden gaan raadplegen. En dan zijn er de autochtonen die enkel zweren bij geschreven bronnen.
Hier volgt dan onze benadering.


Legende_001

A. LEGENDE 1: HET OOSTEN EN DE KRUISVAARDERS.

Laten wij maar meteen een einde stellen aan de legende als zou de windmolen zijn ingevoerd in het Westen door de Kruisvaarders die hem uit het Oosten zouden meegebracht hebben. Waar ligt de oorzaak van de opvatting dat de windmolen uit het oosten afkomstig is? Op het ogenblik dat in Vlaanderen de windmolens reeds aan het verdwijnen zijn draaien in Seistan nog tientallen molens op volle toeren.

kaart-001     Kaart der streek waar heden ten dage nog Oosterse horizontale windmolens draaien #1

Dit “land van wind en zand” is ondanks de algemene dorheid van gans dit deel van het Oosten een graanland.
Dit land, waar de stromen uit het Westen (Perzië) en het Oosten (Afghanistan) uitsterven in het zand, was in de Oudheid een graanschuur voor Iran.
De oorsprong van deze molens gaat terug tot de VIe en VIIe eeuw en wordt aangetoond door Arabische teksten.

Maar de beschrijving van deze molens in Arabische teksten en de tekeningen die erin voorkomen tonen aan dat:
- dit type molen werd opgericht in streken waar de wind uit een onveranderlijke richting waait gedurende vele maanden.
- dit soort molen heeft niets te maken met een richtbare staanderdmolen, die aangepast is aan alle streken waar de wind draait volgens de grillen van de seizoenen, soms volgens de dagen of de uren.


horiz_windmolen-001-sm     Doorsnede van een “ gemoderniseerde” horizontale windmolen in Seistan.#2




seistan-001-sm     Koppel horizontale windmolens in Afghanistan.#3


Westerse vermeldingen

Dat de staanderdmolen niet afkomstig is uit het Oosten wordt aangetoond door Ambroise, kroniekschrijver en minnezanger, in zijn “Estoire de la Guerre Sainte”, het beleg van Akko in 1189, door Filips August , Richard Leeuwenhart, Frederik Barbarossa, door Filips Van Den Elzas, Graaf van Vlaanderen.

Om het hoofd te bieden aan de voedselbevoorradingproblemen, bouwden de Kruisvaarders ter plaatse een windmolen, de eerste in Syrië……..

Ambroise verhaalt de vrees van de Arabieren voor deze nieuwe nooit geziene machine#4:

Ambroise-001


Deze Kruisvaarders zijn Westerlingen.

Dat deze machine “ la gent qui Dieu maudit “ grote angst inboezemde is voor ons van zeer groot belang.
Uit: “étrangement le regardèrent”, blijkt dat in de andere streken van het Oosten molens draaiden.
Oosterse molens met onwrikbare muren, onophoudelijk door krachtige wind aangedreven, waarin de rotoren van hun windwielen snel ronddraaiden en de richtbare Westerse molens met grote draaiende wieken hebben, het weze gezegd, niet veel gemeen.

Ambrosius, een geboren Normandiër, specifieerde ondubbelzinnig 'Li Aleman'. Maar waar haalden die Duitsers de ervaring om daar een windmolen te bouwen?

Waar haalden die Duitsers (Li Aleman) de ervaring om daar een windmolen te bouwen?

De oudst gekende windmolenvermelding in Duitsland dateert van 1222 te Keulen.#5
Het beleg van Akko vindt plaats in de jaren 1189-1191. Dus 33 jaar voor de oudste windmolenvermelding in Duitsland.

Waar haalt oorlogscorrespondent Ambroise dan die “Aleman”.

Het kruisvaardersleger bestond uit Duitsers, Fransen, Engelsen én … Vlamingen.
De Normandische Ambroise schreef zijn kroniek in het Frans. Hij maakte deel uit van het Engelse contingent van Richard Lionhart, wiens hof Franssprekend was.

De niet Duitssprekende Normandiër hoorde een Germaans klinkende taal en besloot daaruit dat de molenbouwers Duitsers waren.
·Een belangrijk contingent werd geleverd door het Graafschap Vlaanderen en stond onder leiding van de Vlaamse Graaf Filips van de Elzas.
·Het Oud-Nederlands van deze Vlamingen en het plat Duits verschilden toen niet erg van mekaar.

Het ligt voor de hand dat Ambroise het Oud-Nederlands der Vlamingen en het Platduits der Duitsers niet onderscheidde en dientengevolge Vlamingen voor Duitsers hield.

Kenden Vlamingen de windmolen dan wel ?

We beschikken over oorkonden die erop wijzen dat een ander soort molen dan de watermolen in Vlaanderen bekend was in 1067, en een tekst van Graaf Filips van de Elzas van 1183 waar de windmolen van Wormhoudt (huidig Frans-Vlaanderen) vermeld wordt. We kennen traditionele molenvermeldingen (jaartallen gebeiteld op oude balken in windmolens) die wijzen op het bestaan van die windmolen in Vlaanderen sinds de elfde eeuw.#6
De Franse historicus Fernand Braudel toont het bestaan aan van een economie-wereld in Noordwest-Europa die zich vormt vanaf de elfde eeuw. Het Graafschap Vlaanderen was hiervan het industriëlecentrum.#7
Voorwaarden voor een economie-wereld zijn: technische revolutie en industriële revolutie. Een industriële revolutie is een ingewikkeld fenomeen aan hetwelk vele aspecten zijn. Eén dezer aspecten is: handenarbeid vervangen door machine-arbeid.

Braudel stelt dat deze industriële revolutie startte in het industriële centrum van de economie-wereld: het Graafschap Vlaanderen.

Eén aspect van een industriële revolutie is : handenarbeid vervangen door machine-arbeid. D.w.z: beschikken over een energie-omvormer die machines aandrijft.

Deze energie-omvormer kan geen watermolen zijn geweest, gezien het Graafschap Vlaanderen historisch weinig watermolens heeft gekend.

Was de windmolen dan niet de omvormer die wind omzette in bruikbare energie om allerlei machines aan te drijven?

De samenhang van: juridische teksten (diplomata van Graaf Boudewijn V (1035-1067). Filips van de Elzas ( 1168-1191), traditionele molenvermeldingen en het zich verwezenlijken van een industriële revolutie in het industriële centrum van een economie-wereld (Graafschap Vlaanderen) laat toe te besluiten dat een nieuwsoortige (wind)energie-omvormer in het oude Graafschap Vlaanderen bestond: de windmolen.

Hoe kwam deze Vlaamse windmolen in Akko (Midden-Oosten)?

De Vlaamse troepen stonden onder leiding van Graaf Filips van de Elzas.
Deze staat bekend als een groot bestuurder en als tacticus één der begaafdsten uit zijn tijd.#8

Diens vader, Diederik van de Elzas, had vier reizen naar het Heilige Land ondernomen, en deelgenomen aan de Tweede Kruistocht.

Graaf Filips zelf had in 1177-1178 militaire operaties geleid in het Midden-Oosten. Hij wist dus door wat zijn vader hem had meegedeeld en uit eigen ervaring, welke problemen troepenbewegingen inhielden.
Als goed bestuurder en tacticus kende hij het groot belang niet enkel van de bewapening maar evenzeer deze van de bevoorrading.De moeilijkheden in de bevoorrading waren één der voornaamste hinderpalen voor een echte strategie.#9 In 1191 beschikte Filips van de Elzas te Akko over aanzienlijke voedselvoorraden, waarmee hij zeer royaal de andere kruisvaarders te Akko, in hun bittere nood hielp. Dus logistiek ondersteunde.#10
We weten eveneens dat vanuit Vlaanderen uiterst vernuftig oorlogstuig werd meegebracht, o.m twee blijden (werpgeschut, Ballista), van uitstekende kwaliteit.#11

katapult
? ?

Waarom oorlogstuig meebrengen vanuit Vlaanderen?

Ter plaatse ontbrak constructiehout volledig.#12 De als één der bekwaamste tactici bekendstaande legeraanvoerder en goed bestuurder, had deze moeilijkheid voorzien en opgelost; belegeringsmaterieel meebrengen. Militaire voorzorgsmaatregel. De Graaf beschikte eveneens over aanzienlijke voedselvoorraden, o.m. graan.

Is het onredelijk te besluiten dat de Graaf, om logistieke redenen, eveneens uit Vlaanderen de nodige middelen meebracht om deze voedselvoorraden op de meest nuttige wijze ter beschikking te stellen? D.w.z.: een maaluitrusting voor het dagelijks brood.

Wanneer Ambroise dus vermeldt dat voor de vestingsmuren van Akko door kruisvaarders een windmolen werd gebouwd, dan is met grote waarschijnlijkheid de verklaring hiervoor: de uit Vlaanderen meegebrachte molenonderdelen werden daar samengesteld door Vlamingen.De in Vlaanderen reeds bekende windmolen werd ter beschikking gesteld van de kruisvaarders, zoals dit het geval was met uitstekend oorlogstuig. De ervaren bestuurde en tacticus Filips van de Elzas had militaire en logistieke voorzieningen op het krijgstoneel: voedselvoorraden, windmolen, zeer omvangrijk belegeringspark, katapulten en stormrammen.#13
Mede hierdoor werd Akko in 1191 ingenomen.



BESLUITEN

1. De vermelding van Akko (1190), kort na de eerste Europese windmolenvermeldingen: bevestiging van het feit dat de kruisvaarders de windmolens in het Nabije Oosten brachten (dus tegengesteld aan de traditionele opvatting).

2. Gezien de vroege molenvermeldingen in Vlaanderen en de aanwezigheid van Vlaamse troepen onder leiding van Graaf Filips van de Elzas en de latere vermelding van molens in Duitsland, is het hoogst aannemelijk dat de molen van Akko gebouwd werd niet door Duitsers maar wel door Vlamingen.#14

akte_BIX-001-sm #15
In deze akte van Boudewijn IX graaf van Vlaanderen, uit december 1197 wordt aan de benedictinessen te leper toelating gegeven om een windmolen te bezitten (molendinum quod vento agitur). Dit is de oudste gedateerde molenakte die bekend is Samen met de akte uit 1183 over molenrechten van de graaf in Wormhout ( Fr-Vl ), staaft die de stelling dat windmolens in Vlaanderen hun bakermat kunnen hebben. Overigens moeten windmolens lang voor deze akte bestaan hebben.



0010

B. LEGENDE II : Frankrijk (Normandië)

Waar kan men aan de hand van deze elementen de oorsprong van de windmolen situeren?

1.    Indien wij ons beperken tot Noordwest-Europa kan men de eerste oprichtingen van windmolens waarnemen in de driehoek : Zuidoost Engeland, Normandië en het oude Graafschap Vlaanderen.
In Normandië dateert de oudste geregistreerde molen van 1180, in Engeland van 1181.
Dit is absoluut juist. Het “Domesday Book” inventariseerde in 1086, 5.624 watermolens en geen enkele windmolen. Daar de molens beschouwd werden als een belangrijke bron van inkomsten, is het duidelijk dat, hadden er toentertijd windmolens bestaan in Engeland, zij zouden zijn opgenomen in het “Domesday Book”, quod non.
Moet men daaruit afleiden dat de bakermat van de windmolen in Normandië te vinden is?
Er bestaat een ganse literatuur over die bakermat van de richtbare windmolen.
Een der meest volledige en dan ook vaak geciteerde studies over het probleem is deze van Anne-Marie Bautier, “Les plus anciennes mentions de moulins hydrauliques industriels et de moulins à vent”.#16
In deze studie wordt de eerste windmolen opgetekend op een domein der abdij van Saint-Sauveur-Le-Vicomte, te Saint-Martin-De-Varreville in Normandië, en dit in 1180.#17

De eerste windmolen in Engeland, wordt vermeld in een document van 1181 betreffende een schenking aan de abdij van Saint-Mary of Shineshead, in Lincolnshire.#18
J.P.A. Stroop haalt in “Molenaarstermen en Molengeschiedenis” #19 de studie van A.M. Bautier aan.
O.i. is de heer Stroop niet helemaal overtuigd door de opbouw van Bautier’s argumentatie, en hij opent een andere benaderingswijze.#20


C. DATERING UITGAAND VAN EEN JURIDISCHE BENADERING

De watermolen was de Romeinen bekend.
Het Romeins recht regelde de eigendom en het gebruik der waterlopen.
Op bevel van Keizer Justiniamus (527-565) werd wat later het Corpus Iuris Civilis werd genoemd, uitgevaardigd.
Het deel Institutiones was een handig te gebruiken werkdocument, in feite een gids om wegwijs te geraken in het reusachtige Romeinse rechtsregels arsenaal.
Zo bepalen de Institutiones (II, 1,1 en 2) dat de heel het jaar stromende waterlopen res publicae zijn, staatseigendommen.
Na de val van het West-Romeinse Rijk (476) werd, en wat het statuut der waterlopen betreft, de regels in verband hiermee, door de Germaanse invallers overgenomen.
Het Romeins recht geïntegreerd zijnde in de verschillende Germaanse Koninkrijken, bleef aldus het gebruik der waterlopen regelen.
Zo bv. In het edict van Rotharius, Koning der Longobarden (643):

#149: Si quis molinum alterius asto incenderit, id est volontaire, in treblum eum restituat sub stimationem rei cum omnia, quae intus cremata sumt.

#150: Si qui molinum alterius capellaverit aut sclusa ruperit sine auctoriate iudicis, componat solidos duodecim illi, cuius molinus esse invenitur. Et si iudicem interpellaverit, et iudex dilataverit ipsa causa deliberare, aut licentiam dederiit averse parti ipsum molinum evertendi, componat solidos XX in palatio regis disctrictus ab stolesazo.

De Romeinen zijn de grote juristen van de Oudheid geweest. Zij zijn de eerste codificeerders. De stichters van de rechtswetenschap.#21
Een groot jurist en waarachtig beoefenaar van rechtswetenschap streeft rechtszekerheid na, d.w.z. stelt duidelijke teksten op waarin elke mogelijke onduidelijkheid die tot dubbelzinnigheid of interpretatiemoeilijkheden voert, vermeden en uitgesloten is.
Een onontbeerlijke voorwaarde voor de noodzakelijke klaarheid is het strikt eerbiedigen der regels der semantiek: ieder gebruikt woord heeft zijn eigen specifieke betekenis, zijn onvervreemdbare begripsinhoud.
Grote juristen houden zich aan deze regel.
Hieruit volgt dat in een goede juridische tekst (en de Romeinen konden die nog concipiëren) elk woord zijn eigen draagwijdte heeft.
Wanneer dan in Romeinse rechtsteksten en in uit het Romeins recht stammende rechtsregels het woord molinum, mola, molendinum, voorkomt, dan wist men precies waarover deze rechtstekst handelt: over een watermolen. In de Romeinse tijd en de Merovingische en de Karolingische bestond immers enkel de watermolen. Molinum, mola, molendinum is dus zonder enige mogelijke twijfel een watermolen.


D. JURIDISCHE BASIS VOOR EEN DATERING IN DE ELFDE EEUW

De Graven van Vlaanderen wierpen zich op als beschermers der tijdelijke kerkelijke goederen. Teneinde de doelmatigheid dezer “bescherming” te verhogen worden er nauwkeurige inventarissen opgesteld.
Wanneer men dan in de tekst met juridische draagwijdte, in 1067, een molendinum aquaticum beschreven aantreft, dient men uit deze gebruikte terminologie de nodige besluiten te trekken.
Vroegmiddeleeuwse, op Romeins recht, gebaseerde wetteksten over molens vermelden:
· Molendinum
· Mola
· Molinum
- Het diploma van 1067 van Graaf Boudewijn V van Vlaanderen (1035-1067) betreffend de goederen van de abdij van Sint-Winoksbergen (in huidig Frans-Vlaanderen) vermeldt een “molendinum Aquaticum” te Wormhoudt in het huidig Frans-Vlaanderen.
- Wanneer in teksten van voor het jaar 1000 enkel sprake was van “Molendinum” duidt het woordgebruik “MOLENDINUM AQUATICUM” op een intussen zich opdringend onderscheid met een ander soort molen: “ MOLENDINUM QUOD VENTO MOVETUR” of windmolen.

Dit woordgebruik in deze oorkonde wijst op het bestaan van de windmolen in Vlaanderen, en bevestigt aldus de traditionele vermeldingen.

- Oorkonde van Graaf Filips van de Elzas(1168-1191). Van 1183 ook over de goederen van de abdij van Sint-Winoksbergen gelegen te Wormhoudt.

“Molendinum aquaticum et molendinum quod vento movetu”.

- Door de oorkonden van 1067 en 1183 kan besloten worden tot het ten tonele verschijnen van de windmolen in Vlaanderen in die periode.

In deze akte is tweemaal sprake van een “molendinum aquaticum” in twee verschillende paragrafen, en éénmaal van een “molendinum quod vento movetur”. De verduidelijking water/wind zou erop wijzen dat de behoefte was ontstaan tot differentiëring van de molens al naar gelang de gebruikte energie, omdat voordien, toen de windmolen nog niet bestond, enkel van “molendinum” sprake was en het uitsluitend over een watermolen ging.#22

“Zouden de oeroude jaartallen in zoveel Vlaamse staanderdmolens dat toch de historische waarheid zijn?”


E. DE TRADITIONELE VLAAMSE MOLEN VERMELDINGEN

Door traditionele vermeldingen worden aangeduid jaartallen die in Vlaamse staandermolens worden (werden) aangetroffen op balken of planken.

 kaart-002.jpg
 Op de kaart van het oude Graafschap Vlaanderen zijn een aantal van deze traditionele vermeldingen aangeduid.
 

In Frans-Vlaanderen (rond 1650 door Lodewijk XIV bij Frankrijk aangehecht):
- Kloostermeulen te Rexpoede: 1001 [sic. bedoeld wordt Rekspoede (Frans: Rexpoëde)]
- Hoflandmeulen te Houterke: 1114
- Hondschootse molen te Hondschoote: 1127

In het huidige Vlaanderen:
- Opzullik : 1040
- Petergem: 1092
- Etikhove : 1140
- Zingem: 1154
- Zomergen: 1154
Jaartallen van ver vóór 1180.


G. ECONONIE-WERELD EN TECHNISCHE VERNIEUWING

Industriële revolutie + technische vernieuwingen zijn noodzakelijke + voldoende voorwaarden voor een Economie-Wereld. Deze noodzakelijke en voldoende voorwaarden zijn vervuld vooraleer de Economie-Wereld als dusdanig herkenbaar is.
Deze gevolgtrekking ligt besloten in de begripsinhoud van de term “voorwaarde”. Inderdaad, voorwaarde is: datgene van welks vervulling afhangt of iets mogelijk is of plaats kan hebben, of die de wijze daarvan bepaalt: als de genoemde omstandigheden aanwezig zijn. #23
In de elfde eeuw was Vlaanderen de “industriële” pool van de eerste Europese Economie-Wereld, wat toelaat te besluiten dat industriële revolutie en technische vernieuwingen reeds doorgang vonden.
Wanneer bestaande energiesystemen onvoldoende of ondoelmatig worden en de “vraag”, niet langer kunnen beantwoorden, dienen er nieuwe energiesystemen ontwikkeld te worden of er ontstaat niet alleen een energiecrisis, maar een crisis zonder meer.
Wanneer watermolens onvoldoende energie leveren voor de nieuwe ontstane behoeften, leidt dit tot de ontwikkeling van de windmolen die de voedselvoorziening zal overnemen van de watermolen die vooral voor industriële doeleinden wordt ingezet.
Het Vlaamse landschap en hydrografie niet zo geschikt zijnde voor het gebruikt van de watermolen zal dit energietekort des te sneller aan de oppervlakte brengen.
Door technische vernieuwingen wordt het Vlaanderen van de Economie-Wereld niet geremd in zijn economische opgang door het energietekort.
Welke technische vernieuwing? Het gediversifieerde gebruik van molentechnologie en techniek, zowel in de stad als op het platteland.
Gezien de werkelijkheid van de Economie-Wereld, bestaan er technische vernieuwingen: de richtbare windmolen is er de meest spectaculaire van.


BESLUIT: DE MOLEN IS EEN ENERGIEOMVORMER

Water en wind zijn energiebronnen die kunnen beheerst worden en omgezet in drijfkracht door een omvormingssysteem: de molen.

Het omvormingssysteem voor water was gekend van in de Oudheid, waar het zich ontwikkelde van een horizontale tot een verticale molen.

De techniek om windenergie om te zetten in drijfkracht door een richtbare windmolen stamt niet uit het Oosten, maat uit Noordwest Europa.

Ze werd ontwikkeld in een gebied waar mensen vertrouwd waren én met een grondige kennis van het gebruik van het zeil én met de werking van de watermolen.

Deze kwalificaties waren samen aanwezig in de kern van het oude Graafschap Vlaanderen, Zee-Vlaanderen. Op grond van historische, culturele, juridische, technische en economische argumenten is het o.i. gewettigd de oorsprong van de richtbare windmolen te plaatsen in het Vlaanderen der elfde eeuw. Wat ons meteen toelaat in de richtbare windmolen een symbool te zien van de verbeeldingskracht, de vindingrijkheid, de werkelijkheidszin, de pioniersgeest van de mens in het Vlaanderen der elfde eeuw.

NOG NIET OVERTUIGD VAN DE VLAAMSE OORSPRONG VAN DE WINDMOLEN IN DE ELF DE EEUW?

DAN DIT.

In de zomer van 2008 werd gedurende een archeologische begeleiding van de aanleg van een wegtraject op de site van Flanders Expo te Sint-Denijs-Westrem een bijzondere structuur aangetroffen. Het betrof een circulaire gracht met centraal een kruisvormig spoor dat waarschijnlijk te interpreteren in als fundering van een middeleeuwse staanderdmolen. Deze uitzonderlijke archeologische vondst lijkt vrij belangrijk in zijn soort.

Archeol_Fland_Expo-001.jpg
Overzichtsplan van het archeologisch onderzoek op Flanders Expo van de verschillende zones met aanduiding van de volmiddeleeuwse sporen.
1: de circulaire gracht met centraal kruisvormig spoor
2: veronderstelde aflijning van de nederzetting


Volmiddeleeuwse nederzetting


Op 150m afstand van de mogelijke staanderdmolen bevindt zich een volmiddeleeuwse nederzetting.
Op basis van het schaarse aardewerk kan een datering van de late 9de tot vroege 11de eeuw vooropgesteld worden, met een voorkeur voor de 10de eeuw.

Op ongeveer 65m van het hoofdgebouw bevindt zich een eerste waterput die door de aanleg van een werkput deels verstoord was. Toch kon de oorspronkelijke houten beschoeiing nog voor een 90cm goed onderzocht worden. De bekisting is vierkant met een zijde van 80cm en bestaat uit horizontale planken die tegen vier aangepunte hoekbalken zijn geplaatst. Wat de vondsten betreft is dit één van de rijkste contexten met ondermeer aardewerk uit de 10de tot vroege 11de eeuw en een glis ( een soort schaats) gemaakt uit een kanonbeen van een paard.

Een gelijktijdige waterput bevindt zicht op 30m van het hoofdgebouw. Op basis van een aantal scherven kan de opgave van deze put ook in de 10de tot vroege 11de geplaatst worden. Een dendrochronologische datering bevestigt met een kapdatum van het hout ( en dus vermoede aanleg) tussen 991-1016.

De best bewaarde waterput ligt op ongeveer 35m van het hoofdgebouw. Op basis van het aardewerk is deze put iets jonger met een datering van late 11de tot 12de eeuw.

Bij opgravingen in 1980 werden bovendien diverse paalsporen en kuilen aangetroffen, waaruit een éénschepig gebouw van 16m bij 6m werd gedistilleerd. Vlak ernaast situeert zich een vierkante houten waterput. Op basis van het aardewerk werd dit deel van de nederzetting tussen 10de en 13de eeuw gedateerd.

Samenvattend kan gesteld worden dat er duidelijk een nederzetting aanwezig was tussen de 10de en zeker 12deeeuw, mogelijk ook nog in de 13deeeuw, die zich minstens uitstrekt over 1ha. Er werden twee hoofdgebouwen en vier waterputten aangetroffen, maar vermoedelijk zijn er nog veel meer resten ongedocumenteerd vernietigd. Deze nederzetting kan waarschijnlijk gezien worden als een conglomeraat van een beperkt aantal erven(bestaand uit een hoofdgebouw en waterput) die diachroon elkaar opvolgen op ongeveer dezelfde plaats.


Circulaire gracht met kruisvormig spoor

voet_staakmolen.jpg  


Op ongeveer 100 tot 150m ten oosten van de kern van deze volmiddeleeuwse nederzetting bevindt zich de opmerkelijke structuur. Die structuur bestaat uit een circulaire, twee maal onderbroken gracht en centraal in die cirkel een kruisvormig spoor. Deze brede circulaire gracht werd opgegeven in de 13de eeuw.


 

Plan van de circulaire gracht met centraal kruisvormig spoor.

Voet van een middeleeuwse staakmolen

In Sint-Denijs-Westrem bij Gent werd in de zomer van 2008 de fundering van een middeleeuwse staakmolen gevonden: een zeer belangwekkende archeologische vondst!

kraanbak.jpg   Veldopname vanuit de kraanbak.

 
Centraal binnen deze cirkel bevindt zich een kruisvormig spoor. De benen schikken zich volgens de NO-ZW en NW-ZO- assen en meten elk circa 10m lang, terwijl ze gemiddeld 1,5m breed zijn.

Wellicht is er sprake van een gedeeltelijke gelijktijdigheid met de volmiddeleeuwse nederzetting.

Het kruisvormig spoor doet erg denken aan de kruisplaten van een houten staanderd of staakmolen. De oudste types windmolen werden nog niet op “teerlingen” gefundeerd, maar licht ingegraven ( Bauters1998:133). Bovendien is een erg sterk bijkomend argument de landsschappelijke inplanting. De moegelijke windmolen situeert zich net op het hoogste punt ( op 13m taw) van een opduiking die het omliggende landschap duidelijk domineert. Ook de nabijheid van een waarschijnlijk deels gelijktijdige nederzetting, wat een goede bereikbaarheid impliceert, lijk een bijkomend argument.

zonder_teerlingen   met_teerlingen

Het kruisvormig spoor zou dus goed het onderste van een funderingssleuf voor de kruisplaten kunnen zijn.


Vergelijking
Archeologische vergelijkingssites in Vlaanderen zijn eerder schaars. Toch vertoont één site bijzonder veel overeenkomsten. De op basis van vorm, opbouw en verhoudingen zeer vergelijkbare archeologisch vastgestelde structuur is deze van De Panne – Oosthoekduinen. Een ongeveer 4m brede,circulaire gracht met een diameter van 22m omvat een centraal gelegen kruisvormig spoor met benen van 7m die eveneens naar de kardinale windrichtingspunten zijn gericht. Deze structuur werd onafhankelijk van die van Sint-Denijs-Westrem als windmolen geïnterpreteerd en kon in de 12de tot 13de eeuw geplaatst worden.#24

Dit kruisvormig spoor vertoont uitstulpingen wat wijst op vier teerlingen.


 

 

Randbeschouwingen bij de archeologische vondst te Sint-Denijs-Westrem


1. Het betreft een staanderdwindmolen kruisplaat die rechtstreeks op de bodem rustte.
2. De molen ligt in de onmiddellijke nabijheid van een volmiddeleeuwse nederzetting.
3. De nederzetting bestond uit meerdere gebouwen in wier nabijheid vier waterputten werden gevonden.
4. Gelijktijdigheid van nederzetting en molen
5. In de waterputten worden scherven gevonden van aardewerk
Gedateerd van tiende-, vroege elfde, late elfde – vroege twaalfde eeuw.

6. Van de tiende tot de twaalfde eeuw bestond hier dus een nederzetting met molen.
7. Een zelfde structuur circulaire gracht-kruisplaat werd gevonden te De Panne – Oosthoekduinen. Deze zou dateren van de twaalfde-dertiende eeuw. De teerling uitstulpingen verklaren de latere datering.#25
8. Tot nu toe werd van deze molens geen geschreven vermelding gevonden.

Algemeen besluit uit wat voorafgaat wat Vlaanderen betreft

1. Traditionele molenvermeldingen vastgesteld vanaf elfde eeuw.
2. Archeologische vondsten te dateren vanaf elfde eeuw.
3. Eerste geschreven aanduiding elfde eeuw (1067)
4. Kruisvaarders en molen in Oosten : twaalfde eeuw
5. Eerste geschreven vermelding bestaand windmolen in Vlaanderen : 1183
6. Vlaanderen centrum economie-wereld : elfde eeuw
7. Industriële Revolutie in Vlaanderen : elfde eeuw
8. Windmolen : energieomvormer : technische revolutie


De richtbare windmolen ontstond in Vlaanderen in de elfde eeuw.


NOTEN


1#   C. Rivals, Le moulin à vent et le meunier dans la société française traditionelle, Serc, Ivry, 1979, blz. 46

2#   H.E. Wulf, C. Rivals, o.c., blz. 48

3#   C. Rivals, o.c., blz. 47

4#   Uit : Estoire de la geurre sainte door Ambrosius, in Engeland gemaakte kopie (eind 13de eeuw) naar het origineel (eind 12de eeuw),fragment op fol. 24c; Bibliotheek van het Vaticaan, Codex Chrstinae reginae, nr. 1659. Wetenschappelijk uitgegeven door Gaston Paris : L’estoire de la guerre sainte. Histoire en vers de la troisième croisade (1190-1192) par Ambroise, Paris, Impremerie Nationale, 1897 (Collection de document inédits sur l’histoire de France), fragment op p. 87

5#   Notebaert, J.C., Windmühle, Mouton Verslag, Den Haag – Paris, 1972, blz. 62

6 #   van den Bossche, K, De Molen als symbool, Centrum voor Molinologie, Sint-Amands, 1999, blz. 484

7 #   Braudel, Le temps du monde, Armand Collin, Paris, 1979, blz. 74-77, e.v. 472

8 #   Verbruggen, J.F., De krijgskunst in West-Europa in de middeleeuwen, K.A.W.L.S.K. – Brussel, 1954, blz. 524

9 #   Idem, o.c., blz. 523

10 #   Ibidem, o.c., blz. 522

11 #   Van Werveke, H., La contribution de la Flandre et du Hainaut à la Troisième Croisade, Le Moyen Age, L’Impremerie des sciences, Brussel, n° 1, 1972, blz. 73

12 #   Van Werveke, o.c., blz. 72

13 #   Van Werveke, H., Een Vlaamse Graaf van Europees formaat, Filips van de Elzas, Fibula-Van Dieshoeck – Haarlem, 1976, blz. 49,61

14 #   van den Bossche, o.c., blz. 485

15 #   Bauters, P., Kracht van wind en water, Davidsfonds, Leuven, 1989, blz. 32, 33, 36

16 #   Bulletin philologique et historique, 1960, vol II, Paris, imprimerie Nationale, 1961

17 #   o.c., blz. 610

18 #   o.c., blz. 610

19 #   Rodapi, Amsterdam, 1977

20 #   o.c., blz. 6

21 #   J. Gilissen, “Historische inleiding tot het recht”, Kluwer, Antwerpen, 1981, blz. 93

22 #   K.V.N.S., Antwerpen, 1978, blz. 20

23 #   Van Dale, “Groot woordenboek der Nederlandse taal”, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen, veertiende herziene druk, 2005, blz. 4012

24 #   Hoorne, Johan, Molenecho’s, 1/09, blz. 21-26

25 #   De Wilde, M, Wyffels, F., Archeologica Mediaevalis, 26, 2003, blz. 37