In de ban van Ceres,
die als Romeinse Godin van het graan reeds symbool stond voor plebejische vrijheid en voorrechten, en hiermee het belang van graan en brood als het basisvoedsel van de bevolking onderlijnde.

Presentatie van het boek, In de ban van Ceres. Klein-en grootmaalderijen in Vlaanderen

( ca.1850-ca.1950). Een verslag.

Het VIOE, Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, stelde op 17 november 2009 de nieuwe Relicta Monografie voor. Het boek In de ban van Ceres vertelt het verhaal van de geleidelijke omschakeling van wind-en waterkracht naar mechanische aandrijving in de periode 1850-1950. Vanuit een industrieel archeologische invalshoek kadert de auteur deze evolutie ook in een sociaal historische context. Via het verhaal van de industrialisering plaatst hij het onderzoek bovendien binnen een bredere economische realiteit.

In zijn inleiding drukt dhr. Mark Andries, kabinetschef minister Geert Bourgeois, de bezorgdheid uit ten aanzien van het bouwkundig erfgoed, het meest zichtbare deel van het cultuur archief van Vlaanderen. Wij onthouden dat uit de lijst van gebouwen die voor 1980 geklasseerd zijn er vandaag, ondanks hun bescherming, meer dan 10% verdwenen zijn. Of ze werden dermate verbouwd dat de reden voor hun klassering namelijk hun cultureel-historisch waardevolle erfgoed te niet gedaan werd.

Zorg voor ons collectief geheugen betekent niet dat alle erfgoedwaarden door bescherming als monument moeten gevrijwaard worden. Het is niet steeds eenvoudig om tegenover de druk van voortdurende maatschappelijke veranderingen en financiële belangen die inherent zijn aan vastgoed de juiste keuzes te maken. De nieuwe functie of herbestemming van het beschermde monument, de juiste restauratie keuze zijn vaak node te verzoenen wil men een waardevol erfgoedbeheer realiseren.

Onze zorgplicht dient derhalve onderbouwd te zijn met een gedegen erfgoedkennis.

Het onderzoek ten gronde beschouwd in deze publicatie besteedt tevens ruim aandacht ten aanzien van de sociaal economische en ruimtelijke context. Hierdoor verkrijgt dit erfgoed opnieuw een immateriële, menselijke dimensie, die bijdraagt tot de sensibilisering ervoor.

 

De energie-omvormer molen: basis van de eerste industriële revolutie 11de- 13de eeuw,

Door Karel van den Bossche, voorzitter Molenforum Vlaanderen. Die als tweede spreker optrad.

Van oudsher waren van oorsprong Romeinse watermolens in gebruik in de vroege middeleeuwen. Met het samengaan van een wezenlijke bevolkingsaangroei en een verbetering van de landbouwtechnieken waren de voorwaarden vervuld om nieuwe industriële technieken te ontwikkelen. In Vlaanderen en Brabant waren vanaf de 11de eeuw deze noodzakelijk impulsen aanwezig. En werd aan de weg getimmerd. Met de realisatie van betere energie-omvormers, vooral de windmolens, ontstaat een eerste industriële revolutie in onze contreien.

Dit betoog verdient zeker gepaste aandacht in een breder tijdsbestek. Wordt mogelijk vervolgd.

 

 

In de ban van Ceres. De mechanisering en industrialisering van het maalbedrijf, door Frank Becuwe, erfgoedonderzoeker VIOE en auteur van het boek.

Uit de samenvatting van het boek:

Vanaf 1870 tekent zich in de geschiedenis van de voeding een breuk af. Belangrijke renovaties zorgen er voor dat in die jaren een massale internationale handel op gang komt. Voor de eerste maal in de Europese geschiedenis was er voldoende en goedkoop basisvoedsel. Aan de vooravond van de eerste wereldoorlog voerde België 2 miljoen ton tarwe in. Spil in deze graantrafiek was de haven van Antwerpen. Een sterk ontwikkelde water-en spoorwegnet zorgde voor de ontsluiting van het land. Het landwegennet en de buurtspoorwegen ontsloten verder het platteland. Via de distributiemogelijkheden zorgden deze massale invoer voor de industrialisatie van het maalbedrijf. Ontwikkelingen in de mechanisatie maakte aandrijving van de molenraderen mogelijk zonder natuurlijke bronnen. Voor grootmaalderijen werd eerder een goed bereikbare locatie gekozen. Een heuveltop of waterloop met voldoende verval waren niet langer voorwaarde voor de aandrijving van een molen. Zo vestigden zich vele maalderijen op de oever van een goed bevaarbare waterloop. Deze schaalvergroting en technische evoluties zorgden voor verder ontwikkeling op het gebied van mechanische drijfkracht, malen, reinigen, opslaan en verhandelen. Het aantal machinebouwers, constructeurs groeide met de vraag.

Mechanische drijfkracht nam dus in het maalbedrijf de betekenis van wind en waterkracht over. Toch bleven een aantal wind- en watermolenaars nog gedurende decennia halsstarrig streven naar het optimaal gebruik maken van natuurlijke drijfkracht. Naast Engelse werden in Vlaanderen modellen ontwikkeld om het malen met windkracht te optimaliseren. Verbeterde waterraderen probeerden dit voor het malen met waterkracht. Resultaat werd pas geboekt bij het gebruik van een horizontaal waterwiel of turbine. Deze tijdelijke reactie, waaraan de schaarste van de brandstof tijdens de eerste wereldoorlog niet vreemd was, belette niet dat intussen veel hulpgemalen evolueerden tot volwaardige mechanische maalderijen. Omwille van het ongemak bij water of windschaarste en het begrensde vermogen werd uiteindelijk de natuurlijke aandrijving gebannen.

Deze ontwikkelingen in het maalbedrijf zijn vandaag nog vrij goed af te lezen. Door de globalisering zijn in de loop van de laatste decennia echter zeer veel klein- en grootmaalderijen buiten werking gesteld. Deze dreigen nu onder de slopershamer terecht te komen. Het gevaar is dan reëel dat de geleidelijke en diverse wijze waarop het maalbedrijf mechaniseerde en industrialiseerde zich niet meer genuanceerd zal laten aflezen.

 

Wetenschappelijk onderzoek als basis voor beheer en beleid, door Sonja Vanblaere, administrateur- generaal van het VIOE.

Rondleiding in de maalderij Van Doren, die zeer mooi de overgang van een ambachtelijke naar een industriële maalderij illustreert, door Dirk Vansintjan, bestuurder Ecopower.

In een gevorderde stap van restauratie draaien transmissie-assen en machines van de maalderij aan de Dijle. Ze worden aangedreven door een Phénix-turbine van het type Sneider-Jacquet, gerestaureerd in 1995 en sindsdien in werking.

Wij genoten vervolgens van een verzorgde en gezellige receptie in het talrijke gezelschap van zowat iedereen die in Vlaanderen betrokken is bij het behoud van ons molenpatrimonium.

Het boek is zeer goed gedocumenteerd, een erg fraaie en uitvoerig geïllustreerde diepgaande studie van het onderwerp. Het behandelde en logisch geschikte materiaal bied een waardevolle en gefundeerde bijdrage aan ieders werk in het behoud en beheer van onze molens.

In de ban van Ceres. Enkele Fotos van de voorstelling werden ons welwillend ter beschikking gesteld door Frank Becuwe, Onderzoeker Industrieel Erfgoed. Foto Kris Vandevorst, VIOE.

Een uitgave van het Vlaams Instituut voor het Onroerende Erfgoed, VIOE.

Wetenschappelijke instelling van de Vlaamse Overheid  <http://www.vioe.be>

instituutonroerenderfgoed@vlaanderen.be


Voor de Koepel Molens Vlaams-Brabant., Erik Van Hemelrijck Oyenbrugmolen, Grimbergen.